| Over de cijfers van het loyaliteitsmisbruik
en de kwaliteiten van het onderzoek.
aangepaste versie van de nieuwspoortlezing. 1997 Een tweede versie van dit artikel is verschenen bij het Platform SCJF/uitgeverij Servo in het boek "Het ouderverstotingssyndroom in de Nederlandse context" Een van de meest verborgen kwesties is het aantal verbroken kind-ouderrelaties. Al jarenlang wordt in de politiek gesproken van een minderheidsprobleem. Cijfers die de ronde gaan spreken van 4 á 5% van de scheidingen die tot ernstige problemen over het contact met de kinderen leiden. Deze cijfers zijn wel traceerbaar. Maar het blijkt hier te gaan om die gevallen waarin uitvoerig wordt geprocedeerd over de kinderen. Een hoop vaders willen niet procederen, zij tellen blijkbaar niet mee voor deze statistiek. Soms worden vaders overigens gedwóngen om procedures te voeren. In november 1994 werd in de tweede kamer
het probleem besproken. Herhaaldelijk werd
het probleem kwantitatief gering benoemd.
Ook om preciezere cijfers te verkrijgen
werd er om onderzoek gevraagd. Mieke
v.d. Burg, destijds kamerlid voor de PvdA
legde in een VPRO-uitzending in april 1996
uit dat ze van het ministerie van justitie
maar geen antwoord wist te krijgen op de
vraag hoeveel kinderen hun ouders niet
zien.
Dat is vreemd want het ministerie heeft daar zelf onderzoek naar laten doen. Dit gebeurde onder regie van de coördinatiecommissie wetenschappelijk onderzoek
kinderbescherming, onder verantwoordelijkheid van het ministerie van justitie. Het
werd uitgevoerd door Griffiths en Hekman
van de universiteit Groningen.
Griffiths en Hekman kwamen op een percentage van 40% gemiste oudercontacten uit huwelijkse scheidingen. Veertig procent van de kinderen ziet op een meetpunt van een jaar na fysieke scheiding een van de ouders niet meer. Weliswaar stammen de cijfers van het onderzoek van Griffiths en Hekman van 10
jaar geleden, maar er is geen reden om aan
te nemen dat het probleem er de afgelopen
jaren minder om is geworden. De manier
waarop in 1990 het recht op omgang werd
vastgesteld is vooral een uitnodiging gebleken om (soms extreme pogingen) te doen
van de ontzeggingsgronden gebruik te maken; waardoor er nog meer aanleiding ontstond voor conflicten, in ieder geval bood
het weinig oplossing voor die gevallen
waarin er problemen over de omgang zijn.
Per saldo wijst de praktijk uit dat omgang
nog altijd als een gunst wordt gehanteerd.
Bovendien weigerde het ministerie naar
zeggen van dhr. Griffiths destijds de onderzoekers longitudinaal onderzoek te laten
doen.
Na extrapolatie voor niet- huwelijkse scheidingen en dergelijke maak ik de schatting
dat per saldo 50% van de kinderen na een
jaar scheiding een van de ouders niet ziet.
Op grond van ervaring verwachten we dat
op een meetpunt langer dan een jaar na
scheiding het aantal eerder toe dan af zal
nemen. In het cijfer zit dus niet inbegrepen
de ouders die hun kinderen niet zien door
ontzetting uit het gezag, curatelestelling of
vaders die hun kind niet mogen zien omdat
ze van de moeder hun kind niet mogen erkennen. Deze laatsten staan op geen enkele
manier geregistreerd, zij mogen in een gouden stilte van hun vaderschap "genieten".
Voor nadere informatie over de bronnen en
de extrapolatie heb ik een uitgebreider
overzicht ter beschikking staan.
Het cijfer van 50% is niet uniek voor
Nederland. Duitsland met een even slechte
(iets slechter in theorie maar waarschijnlijk
naar verhouding weer iets minder erg in de
uitvoering) familiewetgeving als Nederland
kent een even hoog percentage verbroken
ouder-kindcontacten (zie Zeitschrift für
Bevölkerungswissenschaft maart 1995.)
In november 1994 deed staatssekretaris
Schmitz de belofte nader onderzoek te doen
naar de omvang van de problematiek. Uitdrukkelijk was de bedoeling ook de omvang
van de problematiek te onderzoeken. Bijna
een haar later kreeg de B&A-groep opdracht dit onderzoek uit te voeren. Het inmiddels uitgekomen rapport van de B&A
groep kent een groot hoofdstuk cijfers.
Maar hierin wordt niets genoemd over de
daadwerkelijke omvang van de problematiek van kinderen die een van de ouders niet
zien. Ergo dit rapport geeft, onder het
hoofdstuk opvattingen van cliëntenorganisaties, een vervalste weergave van de bevindingen van Griffiths en Hekman. Het B&A-rapport noemt een percentage van 50% als
percentage waarin problemen zijn met de
omgang (dus inclusief niet naar bevrediging
lopende regelingen). Ze doen dan net alsof
dit in het onderzoek van Griffiths en Hekman zo zou staan. Wat er in feite gebeurt is
dat ze een cijfer uit de discussie met de ouderorganisaties nemen (wat een extrapolátie
is van Griffiths en Hekman), schrijven dit
vervolgens toe aan Griffiths en Hekman, en
verzinnen er zelf een andere inhoud bij.
Wellicht past dit gedoe in de door de onderzoeksgroep zelf erkende pogingen om hun
opdrachtgevers (de begeleidingsgroep bestond helemaal uit belanghebbende juristen)
niet te irriteren.
Bovendien werd door B&A gemeld dat
mensen uit de ouderorganisaties net zouden
doen alsof het hier zou gaan om allemaal
ouders die te kennen zouden geven hun kinderen niet te willen zien. De ouderorganisaties gaan echter in tegenstelling tot het ministerie en de kinderbescherming uit van de
belangen van het kind en niet van de vraag
of de vader er wel zin in heeft. De wet stelt
dat kind en ouder recht hebben op omgang
met elkáár. Als er dus een probleem gedefinieerd moet worden zullen we moeten kijken naar de gevallen waarin het recht op
omgang niet wordt gerealiseerd. Bovendien
zijn er naar onze ervaring maar weinig vaders die hun kinderen écht niet willen zien.
Wel wensen veel vaders conflicten uit de weg te gaan. Het kan goed voorkomen dat een moeder van een kind zegt dat de vader niet naar het kind omziet terwijl de vader meldt dat hij de kinderen niet te zien krijgt. Dikwijls betekent dit dat de moeder nogal veeleisend is naar de voorwaarden waaronder de omgang plaats moet vinden, zij wil bijvoorbeeld controle houden over wat de vader doet en eist dat de omgang bij haar thuis plaats vindt. De opvattingen van de moeder over de situatie worden veel meer in onderzoeken betrokken dan die van vaders, niet alleen in een bepaalde case maar ook in wetenschappelijke onderzoeken, zodat er makkelijk een scheef beeld kan ontstaan over de bereidheid van vaders om aan de opvoeding en verzorging bij te dragen. Waar wel onderzoek wordt gedaan naar vaderschap gebeurt dat dikwijls niet door mannen maar door vrouwen.
Ook het kwalitatieve materiaal dat door de
B&A-groep wordt gebruikt is zo selectief
verzameld dat het geen hout snijdt. Naar
willekeur werden cases wel dan niet weergegeven ( bijvoorbeeld omdat een geval al
in de publiciteit was werd het niet weergegeven). Zo krijgen cases met een bepaald
karakter dus geen aandacht.
Ik vind het gevaarlijk om het verhaal dat
hier verteld wordt slechts in verband te
brengen met scheiding van partners. Op de
eerste plaats is het de vraag hoeveel vaders
bínnen het huwelijk of een relatie tevreden
zullen zijn met het contact dat ze met de
kinderen wordt toegestaan. Regelmatig blijkt dat vaders ook, of misschien júist wel,
binnen het huwelijk onbevredigende relaties met hun kinderen kunnen onderhouden.
En ook hiervan zijn ons vele voorbeelden
bekend. Ook in de literatuur wordt hiervan
gewag gemaakt.
Op de tweede plaats komen een hoop vaders nog niet eens aan een fatsoenlijke relatie met de moeder toe. Sommige vaders zijn gedoemd het zaad te leveren en dan weer vlug te verdwijnen. Veel vaders , ook zonder die titel, voelen zich als zaaddonor gebruikt. En daar zijn ze helemaal niet altijd tevreden over. De andere helft van de vaders uit scheidingssituaties die dus de kinderen wel ziet,
zijn daar lang niet allemaal tevreden over.
Dikwijls gaat de omgangsregeling gepaard
met een slepende reeks conflicten. Dikwijls
bestaat die regeling uit slechts enkele uren
per maand. Soms moeten ze er diep voor
door de knieën.Volgens hetzelfde onderzoek van Griffiths en Hekman is de helft
van de omgangsregelingen bevredigend. Dat
betekent dat de helft van de helft van de
kinderen uit scheiding een bevredigende
omgangsregeling heeft met de andere ouder,
of zelfs kan genieten van een voortzetting
van het gezamenlijk gezag van de ouders.
Per saldo ontbreekt er dus iets in driekwart van de kontakten tussen ouder( vader) en kind. De systematiek dat dit bijna steeds vaders zijn noopt tot nadenken. Gezien de situatie die er in bijvoorbeeld de USA groeit verdwijnen steeds meer vaders uit het zicht van kinderen. 40% van de vaders daar heeft geen dagelijks contact met zijn kinderen. President Clinton heeft aan- gekondigd dat er een eind moet komen aan
het eenzijdig stimuleren van de moeder en
kind relatie. In Duitsland kennen we het
voorbeeld van vaderprojecten. Wellicht
moet ook in Nederland iets als een vader-en-kind-centrum van de grond komen. Gelukkig mocht ik onlangs constateren dat een
aantal blijf-huizen in Nederland erover denken om de eerste 6 weken van het verblijf in
een blijf huis de kinderen die door de moeder zijn meegenomen niet helemaal uit te
sluiten van contact met hun vader, wat tot
nu toe wel standaardbeleid was.
Rapporten van justitie, of ze nu over een individueel geval gaan of een maatschappelijk verschijnsel beschrijven; bekijkt u ze alstublieft met de nodige scepsis. De helft van de kinderen na scheiding, 12.000 cumulatief per jaar, aangegroeid tot een leger van honderdduizenden ziet een van de ouders niet. Voor deze omrekening naar absolute cijfers zijn CBS-gegevens gebruikt. Uit deze CBS-cijfers blijkt dat bij benadering 95% van de ouders die hun kinderen niet zien vaders zal zijn. 12.000 kinderen, 7500 vaders, 500 moeders, en naar schatting 14.000 grootouders en honderdduizenden familieleden die er per jaar bíjkomen. In een echtscheidingsgolf van al gauw 25 jaar praat je dus al over honderdduizenden kinderen, honderdduizenden vaders en miljoenen familieleden die dit loyaliteitsmisbruik overkomt. En die dit vanwege schaamte, schuldgevoel machteloosheid of radeloosheid ook nog allemaal relatief stil houden. Dat kan zo niet verder gaan. Wij vragen meer vader voor het kind!
© Joep Zander 1997\1998 |
bijlages;
1 "De
totstandkoming van een bezoekregeling na
echtscheiding van J.Griffiths en E.G.A.
Hekman augustus 1985
2. 2 bladzijden uit het rapport "De praktijk van
het omgangsrecht"
|
| Last Updated http://joepzander.nl/cijfers.htm : zie ook de andere pagina's |