Commentaren op de beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens in de zaak Zander-Nederland

persoonlijke site Joep Zander dossier Zander-Nederland Dossier Zander-Netherlands

 


Commentaren op de beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens in de zaak Zander-Nederland

Zondag 25 maart 2001

Tweede commentaar op de beslissing in de zaak van Joep Zander in Straatsburg

Onderwerp : Een meer overwogen appreciatie van de Zander – beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens

Verzoek nr. 32040/96 door Joep ZANDER tegen Nederland

Beste Iedereen,

Na mijn laatste boodschap over de onontvankelijkheid van mijn klacht bij het EHRM wil ik graag een meer gedetailleerde appreciatie geven nadat ik de beslissing heb gelezen. (Jullie herinneren je dat ik daar toen afkerig tegenover stond).

Op vrijdag 23 februari gaf ik een lezing aan de Universiteit van Leiden (de oudste universiteit van Nederland) aan een Nederlandse en een internationale groep studenten. Ze handelde over mijn ervaringen in Straatsburg. Daarna had ik een discussie met de professor die me uitnodigde om de lezing te beoordelen. Hij heeft vroeger gewerkt in Straatsburg. Als resultaat van die discussie en van mijn voorbereiding voor de lezing kan ik een aantal bemerkingen toevoegen over de beslissing in mijn zaak.

Betreffende Zander tegen Nederland

  1. Een hoorzitting grijpt zelden plaats. Het komt nog minder vaak voor in een zaak waar de ontvankelijkheid nog moet worden beslist.
  2. De beslissingstekst heeft een ongebruikelijke lengte voor een niet-ontvankelijkheids-beslissing.
  3. Een minderheid bij de rechters was van mening dat mijn zaak ontvankelijk was, omdat de uitspraak ondertekend werd als een meerderheidsbeslissing en niet bij unanimiteit genomen werd.
  4. Als je 1, 2 en 3 samen neemt, dan zie je nog meer dat er bij het Hof verdeeldheid heerste (maar het is nu wel een feit). Het zou bijzonder boeiend zijn te weten wat de mening was van die minderheid. Maar dat zou slechts bekend geworden zijn als de zaak ontvankelijk was. En dat zou ook een reden kunnen zijn (zijn er andere verklaringen ?) waarom de zaak niet werd toegelaten. In dat licht bekeken zou het kunnen zijn, dat de meerderheid van de rechters wenste of er belang bij had, dat de argumenten van de minderheid verborgen bleven.

    Met betrekking tot mijn vermelding van de soroptimisten in mijn vorige boodschap aan u allen, zou ik willen stellen dat het niet ongewoon is in dergelijke zaken de machtsverhoudingen ter discussie te stellen, of de invloed die ze zouden kunnen hebben op de uitspraken waartoe zij komen. Dergelijke aangelegenheden werden vorige vrijdag ook beschouwd als gewettigde discussiedomeinen.

  5. De beslissing van Straatsburg bevat enkele onjuiste beschrijvingen van de feiten, maar de insinuaties tegen mij uitgebracht door het persbureau van het Hof in de aanloop van de hoorzitting blijken succesvol te zijn weerlegd en zijn goeddeels verdwenen. Aldus geeft de beslissing een betere uitgebalanceerde kijk op de feiten in de zaak. Toch blijven er nog enkele merkwaardige fouten over. De beslissing van Straatsburg doet uitschijnen dat de plaatselijke rechtbanken beschikkingen hebben getroffen op basis van de wet – wat ze in feite niet hebben gedaan. Ze beweerden dat ze dat deden, maar ze deden dat niet – in de zin dat zij voor dat doel geen argumenten ontwikkelden (dit is nogal ingewikkeld). Er zijn meer punten van die aard.
  6. Ik moet toch zeggen dat het nog steeds verschrikkelijk is dat het EHRM mij ertoe verplichtte valse opvattingen betreffende de feitenvragen te logenstraffen. Doordat ik mijn zaak op die gronden moest verdedigen, kon ik minder energie en aandacht besteden aan meer fundamentele kwesties. De manier waarop de persmededeling van het EHRM werd geformuleerd was schandelijk. Het feitenblad was zelfs nog erger maar werd niet bekend gemaakt. Ik ben tevreden dat iedereen nu kan zien dat er geen reden was voor de gemaakte insinuaties, integendeel. Hierover wil ik ook opmerken dat na de beslissing van het EHRM de moeder een embargo plaatste op de overhandiging aan mij van foto’s van mijn dochter.

  7. De belangrijkste redenen voor miskenning van de ontvankelijkheid zijn naar ik meen :
  1. Een zwakke kijk op de feiten
  2. Overmatig toestaan van discretie van de Nederlandse plaatselijke rechters in hun beslissingen
  3. Geen willekeurige beslissingen gevonden

Ik blijf nog steeds bij mijn opvatting dat er geen twijfel over bestaat, dat de beslissingen van de nationale hoven niet enkel onnodig waren in een democratische maatschappij, maar dat zij een belediging waren voor de democratie in om het even welke betekenis van dit woord.

  1. Ook debatteerde ik over wat in de werking van het Hof zou moeten worden veranderd :
    1. Ik denk dat het Hof de mogelijkheid zou moeten krijgen zaken naar de nationale hoven terug te sturen in gevallen waar belangrijke vragen overblijven over de feiten
    2. Het Hof zou zich bewust moeten zijn van vertaalproblemen (ik wil herhalen dat het Hof helemaal geen vertaling maakte van mijn verzoek/klacht)
    3. Dit hof en elk hof zou zich meer bewust moeten zijn van de betekenis van zijn eigen belangen bij het opstellen van zijn beslissingen.

De beslissing van het EHRM in mijn zaak werd gepubliceerd in het belangrijkste Nederlandse juridische tijdschrift. Ik werk nu een persmededeling uit voor de Nederlandse pers. Heeft er iemand belangstelling voor de teksten die ik in mijn lezing gebruik, voor de persmededelingen en zo meer, dat hij mij dan opbelt.

Vorig jaar in oktober werd een artikel van mij gepubliceerd in het nationaal tijdschrift van de Nederlandse Kinderbeschermingsdienst. Dat ontdekte ik vorige week. Het is verbazingwekkend dat in dezelfde week de Nederlandse Staat een aanval uitvoerde op de vrije meningsuiting door te verklaren dat ik mij publiciteit tot doel stel en dat dit tegenstrijdig zou zijn met de belangen om mijn dochter te zien, terwijl zij een ander artikel van mij in hun eigen publicatie lieten verschijnen. Terloops, dat artikel heet "Ouderlijke afspraken bekeken vanuit internationaal perspectief" en het handelde over de Verklaring van Langeac, de co-ouderschapswet in Nieuw-Zeeland en andere dergelijke onderwerpen. Ik zal proberen daarvan een Engelse vertaling te schrijven.

Nog eens bedankt voor je aandacht,

met vriendelijke groet

Joep Zander

Pedagoog en kunstenaar

Schoutenweg 41

7413 XA Deventer


17 januari 2001.

 

Dag Allemaal,

Twee weken geleden kreeg ik de beslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Ik heb ze tot nu toe niet gelezen, omdat het een heel ontgoochelende beslissing was en ik daarvoor te boos was.

Mijn klacht werd onontvankelijk verklaard. Ik heb de beslissing nog steeds niet gelezen. Ik denk ook niet, dat ik het hof die eer gun. Ik ben er zeker van dat er geen werkelijke gronden bestaan voor de beslissing, misschien zitten er zelfs leugens en beledigingen in.

In alle procedures betreffende mijn dochter heb ik het gevoelen gehad, dat ik niet begrijp wat een rechter daarmee te maken zou hebben. Maar ik ben gedwongen geweest te handelen met die lui die de arrogantie hebben tussen te komen in mijn dochters en mijn rechten. Ik moest hun beslissingen wel lezen, omdat die zo vaak negatief waren, zodat ik er rekening mee moest houden, omdat ik in staat moest zijn steeds verderop een beroep aan te tekenen.

Vanaf het begin ontdekte ik dat er geen enkele logische zin stak in om het even welke gerechtelijke uitspraak. Dat bracht dan mee dat ik na enkele beledigende beslissingen op een andere manier actief begon te worden parallel met de procedures. Een van die acties was mijn hongerstaking van 12 dagen in oktober 1995 (zie mijn website voor meer informatie daarover). Ik kwam herhaaldelijk in de media, en omdat ik in staat was op die wijze een soort actie te ondernemen, kon ik redelijk gezond blijven. Gezond genoeg zelfs om te schrijven en artikels te publiceren over het probleem. Het schrijven van die artikels werd door de Nederlandse staat in Straatsburg gebruikt als een nieuwe aanvalsweg tegen mij. Ze probeerden mij te categoriseren als een herrieschopper eerder dan als een strijder voor mensenrechten.

De argumenten die ik tijdens de hoorzitting van het EHRM ontwikkelde waren geldig, hoewel het jammer is dat mijn klacht ook niet de artikels 3, 6 en 14 betrof van het verdrag maar formeel enkel de schending van artikel 8, wat toe te schrijven is aan de benadering van de zaak door mijn eerste advocaat.

Waarom reageren ? Het is waard om hier te vermelden, op gevaar af beschuldigd te worden een samenzweerder-theoreticus te zijn, dat er een internationale vereniging bestaat (met website-adres http://www.sorop.org/ met internationaal hoofdsecretariaat 87 Glisson Road, Cambridge, CB1 2HG? UK) die de Soroptimisten wordt genoemd – een organisatie "ter bevordering van het Zusterschap van Vrouwen", exclusief voorbehouden voor professionele en gepensioneerde professionele vrouwen. De eerste rechter die betrokken was in mijn zaak, was bestuurslid van die groep, de ondervoorzitter van de EHRM-kamer was lid evenals een van de vertegenwoordigers van de staat en hoogst waarschijnlijk Voorzitter Palm zelf.

Soroptimisten zijn ruim vertegenwoordigd in het gerechtelijke apparaat. In feite is het hele ethos van vrouwenbevoordeling in familie-aangelegenheden zo stevig ingebed in het gerechtelijke systeem dat het daar betrekkelijk onbesproken heerst. In Nederland heb ik in het publiek rechters bekritiseerd die bestuursleden van die organisatie waren, omdat hun onafhankelijkheid in zaken tussen mannen en vrouwen in twijfel moet worden getrokken. Om een analogie aan te halen, wat zou de reactie zijn naar een bestuurslid van de FNF die oordeelt over familie-aangelegenheden ? Hierbij moet wel worden aangestipt dat in deze zaak FNF (Families Need Fathers, UK – Gezinnen hebben vaders nodig, V.K.) ondanks haar naam welbekend is voor evenwichtige standpunten over de verhouding tussen de geslachten, niet in het minst over gedeeld ouderschap. Daarbij staat het lidmaatschap open voor beide geslachten.

In het algemeen lijkt het Hof in Straatsburg een organisatie te zijn die door politieke macht wordt gemotiveerd en die niet al te veel belangstelling heeft voor de finesses van wettelijke argumenten. Hun wettelijke argumenten zijn als katoenwol die de helderheid van visie inpakt die een beroepshof toch noodzakelijk moet hebben, omdat dit de nationale hoven toestaat voort te gaan met een bijna ongebonden discretionaire bevoegdheid. Wat is dan de waarde van hun argumenten? Wat is de draagwijdte van te reageren tegen hun argumenten ?

Misschien zullen sommigen willen wijzen op positieve beslissingen van het Hof van Straatsburg zoals in de zaak van Elsholz tegen Duitsland. Jawel, ze vaardigen beslissingen uit die enige zin hebben als het machtsevenwicht hun toestaat dat te doen. Maar ik moet jullie allen waarschuwen tegen de overweldigende mythen die zich omheen dergelijke beslissingen kunnen ontwikkelen. Elsholz is daarvan een duidelijk voorbeeld.

Elsholz had te maken met discriminatie tussen gehuwde ouders, een domein waarin Duitsland slechter is dan andere Europese landen. Het EHRM zei NIET dat hij zijn kind moest hebben gezien en gaf hem geen geldelijke compensatie daarvoor. Zij zegden dat er een gebrek aan onderzoek was. Het EHRM vermeldde zelf PAS niet als het argument, hoewel het binnendrong in hun beraadslagingen. Mijn geval was misschien te fundamenteel en te klaarblijkelijk om er zelfs maar marginale welwillendheid tegenover te betonen. Je kan het misschien op deze manier stellen : ik had al gelijk en ik werd al verworpen door de nationale hoven van Nederland, waarom zou het EHRM mij mijn rechten dan toekennen ?

Het lijkt wel erg eigenaardig te zijn, dat het hof mij de kans bood mij te horen in een mondelinge hoorzitting, terwijl het al wist dat het een afwijzing tot toelaatbaarheid zou geven (of al zeker wist dat het dat zou doen). Gebeurde dat om de kritiek de grond in te boren, dat alle toelaatbaarheidsbeslissingen werden genomen zonder ernstige argumentatie of discussie ? Was dat zo omdat het hof verdeeld was tot op een bepaald kritiek ogenblik ?

Nu ik terugkijk naar bepaalde aspecten in het proces en naar zekere intuïtieve gevoelens die ik had over de reacties van sommige beambten aan het hof, voel ik dat er een soort verdeeldheid van inzichten binnen het hof aanwezig was, maar dat die onenigheid werd "opgelost" enkele weken voor de hoorzitting.

De wijze waarop het feitenblad over de zaak was geschreven, was heel subjectief of erger. Daar begon (ja begon, want het was nooit in een andere zaak voordien aangehaald) de insinuatie dat ik geweld zou hebben gebruikt tegen de moeder. De Nederlandse staat nam gemakshalve die suggestie ter harte, hoewel het tegengestelde waar was. Het is verbazingwekkend te overwegen dat het EHRM niet enkel de gelegenheid bood nieuwe ‘feiten’ aan te brengen in een domein dat niet behoorde tot zijn reikwijdte, maar dat het deze verschuiving zelfs zelf tot stand bracht. Zo stelde het de PR-ambtenaar voor het EHRM (toen ik mij beklaagde over de persmededeling). : "Er moet ergens reden voor geweest zijn, dat het probleem tot stand kwam", waarbij hij veronderstelde dat moeders in dergelijke gevallen redelijk handelen.

Maar toch, jullie allen staat het vrij te kijken naar de beslissing in mijn zaak, zie

http:// hudoc.echr.coe.int/Hudoc1doc2/HEDEC/200012/32040di.chb1_24102000e.doc

Ik wil jullie nog allen aanbevelen mijn pleidooi te herlezen (http///joepzander.nl/statem.htm) en vraag mij naar nog meer evidentie voor het geval je zou twijfelen aan de waarheid van deze tekst. In het algemeen denk ik dat we minder inspanning moeten investeren in individuele procedures en meer in groepssolidariteit en campagnes die op de massa zijn gericht. Maar af en toe kunnen we proberen opnieuw fundamentele zaken aan te brengen naar het EHRM of het Mensenrechtencomité in Genève. En zelfs deze gevallen kunnen worden gebruikt om tot een nieuwe dynamiek te komen inzake samenwerking en publiciteit, vergelijkbaar met wat in Straatsburg werd gedaan in mijn zaak.

Hoewel ik meen dat een "oudersstandpunt" omtrent het probleem een ruime weg lijkt te bieden om het te hanteren, zouden we ook het "vadersstandpunt" niet mogen verwaarlozen. Vaders worden zwaar negatief gediscrimineerd in Europa en Amerika en in toenemende mate in de rest van de wereld. Ik kijk uit naar het nieuwe boek van Farrell over deze materie, dat deze maand (januari 2001) wordt gepubliceerd. Ik hoop dat ik ook mijn eigen boek, dat al geschreven is, voor publicatie klaar kan krijgen.

Ik wens Len Miskulin veel geluk, omdat hij gelijk heeft dat er niet te veel andere wegen zijn om dat probleem te bevechten. Jullie zullen allen bewust worden van de groeiende onderdrukking, speciaal tegen vaders.

Nog eens dank ik jullie allen om aanwezig te zijn geweest in mijn zaak of ze gevolgd te hebben. Nog steeds denk ik dat onze ontmoeting daar in Straatsburg groots en belangrijk was.

Groeten

Joep Zander

(Vertaling uit het Engels in het Nederlands door Ghislain Duchâteau)

 


commentaar Julian Fitzgerald
Het document van het Europees hof heb ik gelezen en het blijkt dat Joep volledig terecht pessimistisch is of het wel waard is dat hij het zelf leest. Ik herinner mij dat de eerste keer dat ik gerechtelijke oordelen tegenkwam, ik geschokt was. Ik had altijd aangenomen dat zij onpartijdig moesten zijn, gewogen inschattingen. In feite liep wat de rechter uitsprak en schreef op elk niveau dat ik tegenkwam, uit op een stuk onbeschaamde verdediging van het bereikte oordeel dat gewoon tegengestelde feiten en beweringen over het hoofd zag.

Hiervan geef ik hier een voorbeeld : in de 3de alinea van het oordeel van het EHRM vinden we dat het Regionaal Hof aannam de omgangregeling te veranderen in overeenstemming met de wensen van Mevr. B, omdat "communicatie op school" klaarblijkelijk had geleid tot conflicten tussen de eiser en Mevr. B.

In werkelijkheid was de relatie tussen Joep en de school goed, tussen de moeder en de school niet zo goed en dat was één wrijvingsreden tussen hen. Schikkingen om Joeps aanwezigheid op school te beknotten ondermijnden gewoonweg zijn positie als ouder.

Enkel een beknopte opinie over de kwaliteit van het vonnis kunnen we hier aanbieden. Het volstaat te stellen dat het vonnis nooit uitsteekt boven het zoethoudertje, voortdurend de feiten van de zaak verkeerd interpreteert en spreekt in bijzonder verdoezelende en verwarrende taal met de bedoeling zijn conclusies bijna onaanhaalbaar weer te geven, die in een heel echte betekenis "ongearticuleerd" zijn. Als voorbeeld daarvan neem het volgende, een van de besluitende alinea's :

Het Hof neemt in overweging dat bij het bepalen of er een tussenkomst was "in overeenstemming met de wet" het in de eerste plaats toekomt aan de nationale hoven om de plaatselijke wet te interpreteren en toe te passen (cf. Mac Leod tegen het Verenigd Koninkrijk, rapporten van vonnissen en beslissingen 1998 VII, p. 2789, § 44). Voor zover de eiser argumenteert dat de beslissingen van de plaatselijke hoven in zijn geval niet in "overeenstemming met de wet" waren, noteert het Hof dat de aangeklaagde beslissingen gebaseerd waren op het voormelde artikel 1:161a § 3 (a) van het Burgerlijk Wetboek. De reden voor het beëindigen van de bestaande omgangsregeling en, in de kortgedingprocedure, niet in te gaan op het verzoek van de eiser was, dat een dergelijke omgang in tegenstrijd zou zijn met de zwaarwichtige belangen van Rosa, dat betekent een rechtsgrond uitdrukkelijk voorzien in artikel 1:161a § 3 van het Burgerlijk Wetboek. In deze omstandigheden neemt het Hof aan dat de tussenkomst van de rechtbanken "in overeenstemming met de wet" was binnen de draagwijdte van Artikel 8 § 2 van het Verdrag (van de Rechten van de Mens).

Julian Fitzgerald


tegenvoetsporen mail mij zoek op deze site vaders en zorg internetkunstdossier van Joep Zanderhomepage Joep Zander
klik hier! >>
site joep zander

Last Updated http://joepzander.nl/besluit.htm : zie ook de andere pagina's
Logo Beeldrecht